Duizend dagen oorlog. “Mijn land heeft nooit leiders gehad die alle culturen bevorderen,” voorspelde de Soedanese zanger Abdel Karim al-Kabli in 2000. Het conflict en de etnische zuivering in Soedan laten zien waartoe dit zou leiden.
Het superioriteitsgevoel van sommige leden binnen de heersende Arabische elite in Soedan ligt aan de basis van de wreedste oorlogen in Afrika. De vloek van Soedan is de verdeeldheid zaaiende politieke klasse, die de verscheidenheid aan rassen, stammen en religies misbruikt voor een verdeel-en-heerspolitiek die het land fataal wordt.
Kunstenaars en jongeren droegen in 2019 als tegengeluid eendracht uit en ontdeden zich bij een volksopstand van vooroordelen en trokken eensgezind op tegen repressie in de naam van ras en religie. Woordkunstenaars gaven vleugels aan de magie van de revolutie bij massale sit-ins en rappers krikten de opstandige stemming verder op. Eventjes stonden in Soedan alle neuzen in dezelfde richting.
Enkele maanden later sloeg de oude elite terug en werden de betogers door leger en milities van de straten geschoten. „Mijn land heeft nooit verdraagzame leiders gekend die alle culturen benadrukken”, voorspelde de Soedanese zanger Abdel Karim al-Kabli in 2000 in NRC. Hij bestudeerde ritmes en folklore en ontdekte hoe multicultureel de Soedans beschaving geworden was. „De diatonische toonladder van Soedans muziek is Afrikaans, niet Arabisch. Met veel levensgevoel, de muziek van de natuur. De mengeling van tradities heeft een lange weg afgelegd in een land waarin nu vijfhonderd talen en dialecten worden gesproken. Zo’n bont mengsel creëert een prachtige nieuwe cultuur, die noch Arabisch noch Afrikaans is, maar Soedanees. We hebben behoefte aan democratische partijen die een concept uitdragen hoe van dit diverse land één staat te maken. Gaan we door op de huidige voet, dan wordt het nooit iets met

1988 In SPLA gebied Foto Peter Westerveld
De Soedanese bevolking is een historische melange van bruin en zwart door zijn ligging tussen de Arabische en de Afrikaanse wereld. Arabieren en Afrikanen leven in dit deel van het continent al eeuwen naast elkaar, de meesten zijn gearabiseerd en moslim, slechts een klein deel is zuiver Arabisch. Het racisme gaat terug tot de oprichting van Khartoem in 1821 als marktplaats voor slaafgemaakten. Bij de besprekingen over de onafhankelijkheid in 1956 werden de zwarte Soedanezen genegeerd en hun marginalisatie ging door toen de meeste hoge posities naar licht gekleurd en Arabischsprekende politici en militairen gingen. Zij gebruikten hun invloed om ook de zakenwereld te domineren en hun stempel te zetten op de nationale cultuur. Het was geen legale apartheid, zoals in Zuid-Afrika, maar wat wel het eerste opviel in Khartoem was dat ook na de onafhankelijkheid alle straatjochies, autowassers en loopjongens zwart waren.

De Nijlvallij
De achterstelling van zwarte Afrikanen in Zuid-Soedan en Darfur heeft geleid tot oorlogen, massamoorden en etnische zuiveringen. De huidige strijd tussen Hemedti van de Rapid Support Force (RSF) en Burhan van het regeringsleger past in een lange keten van gruweldaden. Met een veronachtzaming van burgerleed trekken al heel lang Soedanese leiders ten strijde tegen zwarte Soedanezen. Premier Sadiq al-Mahdi zette in de jaren 80 milities van gearabiseerde bevolkingsgroepen in om dorpen in het niet islamitische zwarte zuiden uit te moorden, vrouwen te verkrachten en kinderen als slaafgemaakten te ontvoeren. In 1987 sloten die militia onder toeziend oog van de politie bij El Daeín honderden zuidelijke Dinka’s op in treinwagens en staken deze in brand. Eenzelfde politiek van uitroeiing past de in 2013 door de overheid gecreëerde RSF nu toe: bij het begin van de oorlog roeide deze paramilitaire militie 15.000 leden van de zwarte Massalit uit in Geneina, in het kamp Zam Zam bij Al Fasher eerder dit jaar vermoedelijk 3000 Fur en over het aantal slachtoffers onder de Zaghawa in Al Fasher bestaat nog onduidelijkheid.

De woorden van Sadiq, evenals die van zijn politieke tegenspelers Mohamed al-Mirghani en Hassan el-Turabi, waren doorspekt met laatdunkendheid voor zwarten. In een gesprek met christelijke leiders in het zuiden dreigde de premier met de uitroeiing van alle zuiderlingen. Als kleinzoon van de roemruchte imam de Mahdi (de Verlosser), die in 1885 de Brits-Egyptische kolonisten verdreef, wilde hij in de voetsporen van zijn grootvader treden door het niet-islamitische zuiden te veroveren om daarna de islam daar te verspreiden. „Zonder islam geen vrede”, zei in de jaren 90 de fundamentalistische politicus Hassan el-Turabi. „Ja, we proberen ons islamistische model in Afrika te verspreiden, maar niet door middel van geweld”, jokte hij in een gesprek tegen NRC. ,,Het Amerikaanse televisiestation CNN valt toch ook mijn slaapkamer binnen. Is dat geen imperialistische invasie?”

De zege van de Mahdi in 1885
De militaire president Omar el-Bashir ging nog een stapje verder in zijn minachting. Hij refereerde aan zwarte Soedanezen als ‘zwarte plastic zakken’. De term werd door zijn ambtenaren en in de media gebruikt om te verwijzen naar mensen uit het Nubagebergte, Darfur en Zuid-Soedan. Politici uit Zuid-Soedan noemde hij ‘insecten’. „Ze moeten worden gedisciplineerd door de stok”, vond Bashir. De verwijzing naar een stok refereerde aan een gedicht van de in 915 geboren Arabische poëet Abu al-Tayib al-Mutanabi die schreef: ‘Gij zult geen slaven kopen zonder een stok, want slaven zijn smerig en lastig.’ Op het curriculum op Soedanese scholen stond de Libanees Aliya Abu Mahdi, die dichtte: ‘Alles in ons land is mooi…behalve de mensen met een zwarte kleur.” Een straat in Khartoem is vernoemd naar de beruchte slavenhandelaar Zubeir Pasha die rond 1874 Zuid-Soedan en Darfur tot zijn jachtgronden maakte.

Bashir in Juba in 2011 Foto Petterik Wiggers
John Garang, leider van het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA) in Zuid-Soedan, streefde een revolutie in heel Soedan na en geen afscheiding van het zuiden (die uiteindelijk toch plaatsvond in 2011). Hij bedacht het idee van „een Nieuw Soedan” en sprak voor het eerst over „gemarginaliseerde gebieden”, zoals de Nubabergen, de oostelijke regio en het westelijke Darfur. Nationaliteit en religie waren volgens hem aangewend om een Soedanese identiteit te forceren op basis van de Arabische taal en cultuur en de islam.

John Garang
Het Arabisch superioriteitsdenken komt tot uiting in racistisch vocabulaire en seksueel geweld. Het scheldwoord ‘zurug’ (zwarte) wordt al langer gebruikt in het alledaagse racisme van Arabieren in Darfur. De term ‘abid’ (slaafgemaakte) is door sommige Arabische supremacisten overgenomen om niet-Arabische Darfuri aan te duiden. In die context vinden ook bij de huidige strijd in Darfur veel verkrachtingen plaats. Verkrachting is een middel tot identiteitsvernietiging en de ultieme vernedering. „We gaan kleine Arabieren bij jullie maken”, snerpten de Janjaweed strijders bij hun verkrachtingen tijdens de oorlog in Darfur begin deze eeuw. De RSF, de opvolger van de Janjaweed, verkrachtte alleen al tijdens de inname van Al Fasher in oktober 45 meisjes van de Afrikaanse Zaghawa. Eenzelfde denigrerende perceptie van het regeringsleger en aanverwante milities leidde vorig jaar tot misdaden tegen de zwarte Soedanese Kanabi-gemeenschap in de landbouwstreek Jezira.

2011 Onafhankelijkheid van Zuid Soedan Foto Petterik Wiggers
En toen leek er plots een einde te komen aan de religieuze en racistische dominante van een kleine groep Arabische en gearabiseerde machthebbers in de Nijlvallei met de volksopstand in 2019. Honderdduizenden Soedanezen gingen de straat op. ,,Het mooie van deze revolutie is dat we weer gelijk zijn,” jubelde een man, ,,hier omarmen Soedanezen van alle rassen en geloven elkaar. Soedan is geen land van Arabieren maar een land met een gemêleerde bevolking, een mengelmoes van Afrikaanse, Arabische en gearabiseerde bewoners.” Achterdocht jegens landgenoten met een andere achtergrond had plaatsgemaakt voor euforie en broederschap. Ik ontmoette een jubelende zwarte Nuba die uit het zuiden naar Khartoem was gereisd om zijn solidariteit te betuigen, een lichtbruine man van de Beja uit het oosten en een witte Soedanees uit de diaspora.

Dit waren de gelukkigste dagen voor de Soedanezen sinds hun onafhankelijkheid, alsof hun land een nieuwe kans kreeg. Vrouwen gekleed in broeken rookten in het openbaar een sigaretje in theetentjes. Kunstenaars kwamen uit hun schulpen en openden ateliers. Vrouwen gingen voetballen. Het mooie van diversiteit schitterde plots weer over Soedan. De carnavaleske sfeer rond de afzetting van Bashir sloeg om in diepe grimmigheid toen Burhan en Hemedti tezamen een staatsgreep uitvoerden. Want dat is een andere vloek die al van vóór de onafhankelijkheid op Soedan rust: militairen die de macht monopoliseren door middel van geweld. En niet tolerant zijn.
En zo begon er in 2023 alweer een oorlog. De zanger Abdel Karim al-Kabli was toen zijn geboorteland al ontvlucht en zou in 2021 in Amerika sterven. Hij pleitte voor een artistieke uitweg uit Soedans problemen. ,,Kunstenaars zijn de meest gevoelige mensen. Zij voelen het lijden van anderen sterker dan de slachtoffers zelf. Er zouden meer kunstenaars aan de macht moeten komen, die hebben tenminste gevoelens.”

Koning Anlamani van Nuba
Wie had gehoopt dat een rijke culturele erfenis mensen kan doen samenkomen en de schisma’s in een natie helen, is door de oorlog weer een illusie armer geworden. Want ook het Nationale Museum in Khartoem leed onder de culturele apartheid. Soedan herbergde na Egypte de grootste verzameling historische cultuurschatten op het continent. Dat kwam door de opgravingen in de streek in de Nijlvallei waar het legendarische Nubische rijk Kush zich bevond, waarvan het granieten standbeeld van de koning Taharqa (heerser tussen 690 en 664 v. Chr.) in het museum belandde. Ook waren er beelden, mummies en muurschilderingen en gouden ornamenten.
Nu het is leeggeroofd door de RSF noemen sommige Soedanezen dat een nationale ramp, anderen treuren er niet om. ,,Degenen die het wel betreuren komen van de Nijloevers en geloven nog in het verhaal van de Soedanese staat als een verenigende kracht. Maar dat is een fictie”, vertelde de Soedanese analist Kholood Khair eerder dit jaar aan NRC. ,,De RSF-strijders uit de Sahel herkenden niets van hun eigen cultuur en geschiedenis in het museum en namen opzettelijk wraak”, zei Kholood Khair. Na hun verdrijving uit Khartoem in april lieten de RSF-woestijnkrijgers hun stront in het museum achter en hakten de ledematen van Nubische heersers af. „Dat deden ze om een rekening te vereffenen en om hun minachting te tonen voor het eeuwenoude machtscentrum van Soedan in de Nijlvallei.”
Soedan blijft dus wachten op een ware Verlosser, geen Mahdi, maar een Mandela, die de schoonheid van diversiteit omarmt.
Een versie van dit artikel werd gepubliceerd in NRC op 10-1-2025

