Ik schrijf een nieuw boek. Over Afrikaanse zaken, waarin ik kunstenaars laat reflecteren over zaken om hen heen, waarin ik rechtvaardigheid en gender van nu afzet tegen hoe het vroeger was. Ik put uit 42 jaar journalistiek werken op het continent en leven in het Samburu-district in Noord-Kenia. De komende maanden zal ik op deze plaats wat laten voorproeven. Tot het boek helemaal af is. Als aftrap de Keniaanse moderne schilder Shabu Mwangi.
Het steegje naar het huis van de moderne kunstschilder Shabu Mwangi is aangestampt met afval en omrand met blubber, waarin de snuiten van varkens steken wat de beesten zwart maakt. Een mierenhoopachtige dichtheid, iedere meter doet ertoe in de sloppenwijk Mukuru, zo beklemmend nauw zijn de doorgangen dat voorbijgangers zich er rakelings langs elkaar wurmen. Kinderen rollen een fietsband in de smurrie langs een man met een gekleurde haarbos van weggegooide pruiken. Salons adverteren het schonen van de nagels, kerkjes het schonen van de ziel.
Verwacht van kunstenaar Shabu Mwangi geen rozenvelden als spiegelbeeld, bij hem klinkt deze ruwe en ruige realiteit door in zijn kunst. Zijn huis in Mukuru was vroeger een openbaar badhuis en toilet, nu verhuurt hij er kamers en bouwde er bovenop een atelier voor zichzelf, waar de beukende zon ovenachtige temperaturen schept. De lange en verlegen Shabu Mwangi is zachtmoedig, een invoelend mens. Mukuru heeft hem geknakt maar niet verslagen. “Zonder art had ik het niet overleefd. Met kunst leg ik vast op doek wat in me borrelt. Sinds ik schilder kan ik uitdrukken wat ik voel en realiseerde ik me hoe leeg mijn bestaan was.”

Achter de façade van wolkenkrabbers in het stadscentrum van Nairobi en rustieke lanen vol jacaranca’s in de sjieke buitenwijken schuilt de rauwe realtiteit van de moderne Afrikaanse stad: talrijke getto’s waar armoede lelijkheid en geweld voortbrengt. De ene kant van Nairobi toont het fraaie zakendistrict, met hoge kantoren, regeringsgebouwen, veel internationale organisaties en daarboven de Express way, een op betonnen pilaren gebouwde tolweg voor de rijken. Dat staat symbool van een jonge, geslaagde natie met een groeiende middenklasse. Aan de andere kant de sloppenwijken die de mislukking symboliseren. Kenia heeft met Zuid-Afrika de grootste ongelijkheid van het continent.
Afrika startte zijn onafhankelijkheid rond de jaren60 met een exodus van het platteland naar de steden. De slaperige koloniale tuinsteden met paardenkarren en venters die hun koopwaren onbewaakt langs de straatkant achterlieten veranderden in dolgedraaide door misdaad verstikte metropolen. Bij de onafhankelijkheid in 1963 woonde een luttele 8,5 procent van de Kenianen in steden, in 1990 het dubbele, in 2015 een kwart van de bevolking en in 2030 naar verwachting een derde van de zestig miljoen. Nairobi groeide van 350 000 inwoners bij de onafhankelijkheid tot ver boven de vijf miljoen. Vroeger heette Nairobi ‘de prachtige stad badend in de zon’, tegenwoordig draagt het de naam Nairobbery. Met stinkende straatkinderen die blootstaan aan verkrachting, spiedende groentevrouwen die samenspannen met de politie en schoenenpoetsers die met boeven heulen. Iedereen bespiedt iedereen, geen beweging blijft onopgemerkt. Zakkenrollers letten op agenten, bandieten op spionnen.

Mukuru schuurt aan het industriegebied, Inda in het sheng, een sloppentaal van degenen die hun inkomens van de straat schrapen. Hier aan de stadsrand ligt een grimmige wereld afgesneden van de solidariteit van het platteland en losgekoppeld van het culturele en politieke leven in het centrum. De sloppen zijn een ballingszone, een nieuw Babylon die het continent het radicale nieuwe gezicht van ongelijkheid verschaft. Afrika kent verstedelijking zonder groei, veroorzaakt door de reproductie van armoede, niet door het aanbod van banen.
In Nairobi leeft zestig procent van de inwoners in armoede en driekwart van de Keniaanse gettobevolking is beneden de 24 jaar, jongeren die barsten van het testosteron en ambities maar opgroeien met misdaad en zonder veiligheid. De meest ontmenselijkende misère van het continent valt te vinden in sloppenwijken, onder de neus van opstijgende vliegtuigen en voorbijschietende robuste terreinwagens op de snelweg in de lucht.
“Ik groeide hier op als een opgejaagd kind. Altijd was ik doodsbang. In Mukuru waant niemand zich immuun voor misdaad, veertig procent van alle misdadigers sterft voortijdig door geweld, vermoord door de politie of medecriminelen. In leven zijn in Mukuru betekent dat je die uitdagingen hebt getrotseerd. Dat schept een band met de andere overleveraars.” Waarna Shabu Mwangi op een cynisch ondertoontje zegt: “Ik ben zelf ook wel eens over een muurtje van een fabriek geklommen hoor. Ook verkocht ik gestolen goederen. Maar ik wist dat dit eens tot mijn dood moest leiden.”

Geweld komt van alle kanten, van milities, kwaadaardige politieagenten, en in toenmende mate van door politici betaalde knokploegen. Vroeger bestond dergelijke misdaad niet, lang geleden bezat iedereen wel ergens een stukje land om op te werken. “Onze ouders waren sjacheraars, maar ze stalen niet, zij bewaarden nog een vleugje van de vreugde na het vertrek van de koLemelenten, zij bleven optimistisch en verwachten een betere toekomst. Daarom kochten ze schoolboeken voor ons.” Dit staat in contrast met nu: De bewoners van een getto koesteren geen hoop meer, de realiteit haalt iedere jongere snel in en verbrijzelt zijn dromen. “Je kunt niet dromen in sloppenwijken, want je bent altijd naakt, je voelt je nooit beschermd, je bent omringd door aaseters. De diepste duisternis is daar waar alle hoop op verandering ontbreekt.”
Shabu Mwangi had geluk, hij belandde op een school waar zijn bijzondere talenten opvielen en vervolgens werd hij ontdekt door curators van kunstgallerijen in het sjieke stadscentrum van Nairobi voor “zijn kunst met een verhaal.” “Gelukkig hebben we kunst”, glimlacht hij. Zonder een kunstopleiding ging hij vanaf 2004 schilderen en hij hielpt het kunstcollectief Wanjuku in Mukuru oprichten. Zes van de negen oprichters van die vereniging zijn inmiddels op geweldadige wijze omgekomen.

Structurele onrechtvaardigheid, Shabu Mwangi drukt het uit in zijn portretten, op zijn manier, verwarrend en heftig, altijd met een grote intensiteit. “Sommigen zeggen dat ik geesten schilder”, grinnikt hij. Zijn vervormde figuren, van hun menselijkheid ontdaan, lijken inderdaad op geesten die naar gelang het gemoed van de schilder andere vormen krijgen. En mocht de kijker de weg kwijtraken in de abstracte vormen dan zijn er altijd die indringende ogen als ijkpunt.

“Er is geen manier om een schilderij uit te leggen, het is een opeenstapeling van emoties. Alles is een illusie.” Kleurrijke vervormde gezichten, met zo nu en dan een blije kleur, om de hoop niet te verliezen. We kijken naar Fear of being a man, een portret van een gespannen man, naar Layers of personality disorder, State of Nothingness en het zelfpotret Distored self. “Ik voelde me in die tijd niet goed. Als de rol van een man is om te lijden, ben ik dan wel voldoende man, vroeg ik me af.” Op Fallen not broken zit een man terneergeslagen op de grond, alsof hij zich overgeeft aan zijn erbarmelijke lot. “Aan de sloppenwijken valt niet te ontsnappen.”

Is er nooit een moment van geluk, voelt Shabu Mwangi nooit behoefte om vrolijke kleuren te gebruiken?
“Hoe kan ik geluk schilderen als ik dat slechts voor een kort moment ervaar? Ja, er schuilt liefde in misère, maar het oog van de behoeftige kan dat niet zien.”
——

Deze stad bracht Lonis Lemelen en mij als vrienden samen. Ik had me er in 1983 gevestigd, vastberaden om het te gaan maken als correspondent Afrika voor een Nederlandse krant. Lonis arriveerde er om zijn familie in leven te houden. Armoe dreef hem naar Nairobi, ik kwam er vol geestdrift en ambitie. Hij kwam gedwongen door de sterfte van zijn vee, ik uit vrije wil bomvol optimisme om te reizen door de ziel van andere, voor mij vreemde mensen. Met de serene buitenwijken naast de rauwe getto’s weerspiegelde Nairobi de hevige verschillen tussen ons.
De nacht voor zijn vertrek had hij slecht kunnen slapen. “Als ik problemen krijg in de stad, als ik geen werk vind, hoe kom ik dan terug”, vroeg hij zich af. Toch vertrokken ze, met zijn drieën, één van hen sprak Kiswahili. “Ieder van ons had een geit verkocht om zijn buskaartje te kunnen betalen. Om de afstand te verkleinen en zo het buskaartje goedkoper te maken, gingen we eerst twee dagen te voet in de richting van Nairobi. Op onze sandalen. We droegen ieder twee lendendoeken, dat was al onze kledij, geen onderbroek of sokken maar wel onze kralen en armbandjes. Anders hadden we ons naakt gevoeld.”
